• www.sjoerdberk.blogspot.com

    31 januari 2018

    Neem eens een kijkje op mijn blogpagina: www.sjoerdberk.blogspot.com

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 4 keer bekeken

  • Ik was het niet

    31 januari 2018

     

     

    Ik weet zeker dat het niet mijn poepje was. Ik hoorde hem wel, een geluid als van een fluitketel die uit werd gezet. Een zacht pieven, maar it wasn’t me. Achter me zag ik een oudere heer met een rode snor wegduiken en links van me keek een jongedame of ze een bad in ijsklontjes nam. Toch keek de bibliothecaresse mij aan, lang en strak zoals een kat loert naar zijn muis. Nog even en zij zou ontsteken in woede over de ontheiliging van haar boekenbestand. Het ontsnapte methaan zou de letters uit de dode boomcellen vreten. Zij riep met trillende stem: ‘Ah! Weer zo’n viespeuk! Waarom doen mannen dit niet gewoon op de WC, maar altijd hier? Nomme de patat, zo verschrikkelijk en beestachtig, ja, dat is het, u bent een wild beest en u hoort in een dierentuin, aan een ketting!’  Zij raasde verder en het leek of zij deel uitmaakte van een geheim verbond tegen vliegende flaters. In top secret vervaardigde zij pamfletten tegen slappe anussen en plakte deze in de nacht op deuren van buurmannen en buurjongens. ‘Ik heb het niet gedaan,’ stamelde ik als een terdoodveroordeelde Noordkoreaanse politiechef. En nadat ik dit had uitgesproken voelde ik iets opstijgen uit mijn achterkant. Een warme gasbel, een toonloze klinker, maar wel een brute stinker. In een paar seconden zou hij bij haar neusslijmvliezen zijn. Ik maakte dat ik weg kwam en rende langs haar heen. Toen ik buiten stond hoorde ik een ijselijke kreet uit het boekenwalhalla komen. En tegelijk rinkelde het alarm: ik had de boeken niet in de computer opgenomen. Voorlopig maar online lenen, via de e-reader. En u denkt dat ik dit allemaal verzonnen heb?       

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 5 keer bekeken

  • Egeltje

    17 januari 2018

     

    De egel zat bovenop het schoteltje met egelvoer. Ik keek uit het raam en was heel dichtbij het smakkende beest. Ik maakte een reis achteruit in de tijd. Het was een koude avond in september. Vlak voor mijn fietsband stak een beestje over. Het meisje dat naast me fietste riep: ‘Stop! Een egel!’ Ik wilde nog roepen dat zulke dieren op herfstige avonden op stap gaan om zich een boulimie te eten, maar ik hield mijn lippen op elkaar. Zij was al afgestapt en pakte het dier. “Wat is hij mooi,’ zei ze en ik keek bezorgd naar de opgerichte stekeltjes. Hij vond het niet zo leuk. ‘Ja,’ zei ik zacht,  ‘hij is prachtig.’ ‘Neem jij mijn fiets,’ fluisterde ze,  ‘dan brengen we hem naar mijn huis.’ In de keuken stond de gehele familie over het schepsel gebogen. Het  knorde: ‘Ik ben niet ziek, ik moet aan het werk, laat me gaan.’  De vader van het gezin merkte iets op over de relatie tussen autobanden en egels, maar de moeder was concreter: ‘Zet hem maar in de schuur,’ wees ze. Het onfortuinlijke scharrelwezen werd in een schoenendoos gedaan en ik nam afscheid. Bij de achterdeur stond mijn vader te wachten. Hij zei niets, wees op zijn horloge. Ik wist het: het was vreselijk laat. Zijn gezicht stond op een uitdiepende stormdepressie. ‘Sorry,’ zuchtte ik, ‘ik moest helpen een egel te redden. Het zal niet meer gebeuren.’  “Egels redden zichzelf prima,’ zei mijn oude heer. Toen ik vertelde over het meisje, een groot dierenliefhebber en haar familie, leek hij iets in te binden. Ik maakte het verhaal groter en verzon dat de egel in het water had gedrevenen zwemles had gekregen.

    Vanaf die dag vroeg mijn pa regelmatig naar het egeltje en ik maakte uit zijn toon op dat hij mijn egelverhaal maar voor een deel geloofde.

    De volgende dag na de reddingsactie sprak ik het meisje op onze school. Ze zei: ‘De egel heeft een zooitje gemaakt in onze schuur. Hij heeft de doos en het dekentje aan flinters gescheurd en een paar fietsbanden doorgeknaagd.’

    Ik zou het ook gedaan hebben, dacht ik. Maar ik zei het niet. ‘We hebben hem vanmorgen vrijgelaten,’ ging ze verder. Ik lachte. Ik was blij voor de freedom van de egel en ik vertelde haar nooit hoe mijn vader haar had genoemd. Ik vond het ook niet kloppen;  ze was een zacht meisje dat van schapenwol haar eigen truien breide en haar stekels nooit opzette.  

     

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 11 keer bekeken

  • De man met het kusje

    30 november 2017

     

    De man heeft een glanzend kusje op de rechterwang. Hij staat naast me in de Alkmaarse bibliotheek en werpt de boeken in de automaat. Hij weet ongetwijfeld niet dat hij met dat kusje als een stoombootwimpel rondloopt. Een rozerode kus, een afdruk van grote, gulzige lippen. Maar moet ik dit zeggen tegen deze onbekende man?

    En hoe zeg ik dat dan? Want  stel: deze print is van een geheime liefde en hij gaat hier straks onwetend mee terug naar zijn Truusje. Ik moet hem waarschuwen voor het naderende onheil. Voorzichtig loop ik naar de kerel, die breed en kaal is en maak een gebaar naar mijn eigen wang. Hij snapt het niet, haalt zijn schouders op en loopt door de draaideur naar buiten. Ik zie hoe hij op de stoep wordt belaagd door een heks in een groen mantelpakje. Met haar handtasje slaat ze hem op zijn glimmende knikker en hij valt achterover. Maar net als hij daar ligt komt er een meisje aangerend. Ze heeft rozerode lipjes en ze zwaait naar de vrouw met haar armpjes. Ze laat iets zien, het is een lipstick. De vrouw stopt met slaan en scheldt nog een keer. Ik help de man overeind.  Het meisje, de dochter, valt huilend in mijn armen en kust me. De schrijver heeft nu ook een glanzend kusje op de rechterwang. Hoe kom ik nu thuis?  

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 22 keer bekeken

  • 27 april

    5 mei 2017

    Ik ben uit mijn schijfwinterslaap gekomen. De lente is daar, de zon schijnt en  vandaag is het de verjaardag van onze koning Willem Alexander: 27 april 2017.  Hij is 50 geworden. We lopen over een markt die is voorzien met bijeengeraapte spulletjes van de Nederlandse zolder. Speelgoed, kleding, uit de mode geraakte apparaten, keurig uitgestald en aangeprezen met een gulle lach. Zelfs een priester van de lokale kerk heeft vandaag een oranje hoed op. Ik herken hem in de menigte. Hij zwaait. Aan de straatkant staat in de kou een meisje beverig te fluiten op een fluit. Ze spaart voor een grotere fluit, dus we geven een muntje. Ik hoop dat ze dan wel nog wat gaat oefenen op dit kleine instrument, want haar techniek behoeft nog wat aandacht. Het kan ook de kou zijn die haar vingers verkrampt. Ik hoop haar volgend jaar weer te zien. Voor een paar centen koop ik een vergeeld boekje over het beleg van Haarlem door de Spanjaarden. Het is een woeste geschiedenis waarin bijzonder veel koppen rollen. Een mysterieuze vrouw die Kenau heette, zou een belangrijke rol in de strijd gespeeld hebben, maar dat is meer fantasie dan werkelijkheid. Want we houden dan wel van heel gewoon zijn en ieder jaar hetzelfde stuk op de markt te herhalen, we houden ook van mythes en verhalen en maken die liefst veel groter. Opvallend is dat Willem Alex op geen enkele manier probeert groter dan zijn landgenoten te zijn. Een koning zonder mythes en zonder geheimen. Zonder heldendaden. Hoewel, hij heeft een keer de Elfstedentocht gereden.

    Maar misschien is op de markt gaan staan met een fluitje ook wel een dappere daad.

     

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 80 keer bekeken

  • Gaten

    20 november 2016

    De vrouw in het zalmroze mantelpakje kijkt me aan terwijl achter haar schouder de trein komt aanglijden. Ze ziet er bont uit, want  haar hoedje is oranje  en haar puntschoenen met hakje, rood met blauwe stippen. Ze klaagt, met een vinger in de lucht: ‘Mijnheer het is toch wat met de jeugd van tegenwoordig.’  Ik knik niet enthousiast om deze vijf eeuwen oude  open deur en wil eigenlijk weg, maar waarheen? Dus ik knik nogmaals en beschouw haar waterig blauwe ogen en ik zie nu ook dat ze iets te breed is voor haar lengte. ‘En raad u eens hoe oud ik ben? Ik ben al 85, met kunstheupen mijnheer, dat had u  niet gedacht, waar?’ Ze maakt twee, drie kleine danspasjes en draait met haar geplastificeerde onderdelen.  ‘Ik ga naar  het Amsterdam Dance Event.’  

     

    Het antwoord op haar vraag blijft ergens steken omdat een vraag zich opdringt omtrent het feit of ik haar nu moet bewonderen dat ze er jong uitziet of dat het een wonder is dat ze nu pas kunstheupen heeft en daarmee een nacht gaat doorstampen. Ik weet het niet met deze dame. Zo meteen gaat ze me nog magic mushrooms aanbieden.

     

    De trein komt sissend dichterbij. Onder de wielen de herfstblaadjes geplakt om het remmen onmogelijk te maken. ‘O ja, de jeugd van tegenwoordig,’ galmt ze, ‘wat denkt u? Mijn achterkleindochter Josefien kwam deze week thuis met een  nieuwe broek. Een spijkerbroek. Een jeans mijnheer. Ze hing het vale ding over een stoel en zei: ‘Oma, ik ga nu 

     

    sporten hoor, ik laat mijn broek hier even hangen? Past u er goed op?’  En weg was ze alweer. Ik werd nieuwsgierig naar die broek. Eens kijken. Er zat geen kleur aan, maar dat hoort zo, hebben ze me verteld. Alsof hij tien jaar oud is, dat is het mooiste. Als dat zo is, waarom koop je hem dan niet op een tweedehandsmarkt? Want kijk deze mooie pumps – ze stak ereen in de lucht-  die hebben al heel wat kilometers gemaakt. Maar bien, ik zag die broek, en wat zag ik, hij zat vol gaten. Nou, dat ging me aan het hart. Ik dacht: o gut, dat kind  is gevallen natuurlijk met skeeleren en dit is gewoon een hint van oma, wil je dat voor me maken?’ 

     

    Zelf moest ik ineens denken aan die keer dat ik bij een vriendje achterop een fiets zat en ervan af viel. Mijn broek kapot, maar nog erger: mijn knie kapot. En toen mijn moeder die alleen over die broek begon terwijl ik riep: hallo mama, ik bloed dood en jij praat alleen maar over die broek.

     

    ‘Luistert  u nog wel?’  de dame tikte tegen mijn schouder. ‘Ja, ja,’ zei ik, ‘u dacht, kom laat ik die broek eens maken.’

    ‘Inderdaad, ik dacht, dacht ik, laat ik die broek eens maken, ik ben naaister geweest, dus hup, hup, alle gaten gedicht en keurig hoor, niks meer van te zien.’

     

    Ik hoorde de overwegbellen rinkelen. ‘Maar toen kwam Josefien thuis en die zag die broek en die werd hartstikke kwaad, ze begon te vloeken en te tieren en ze riep: ‘Oma, waar is mijn broek, heb je mijn broek weggedaan, waar is mijn nieuwe broek, dit is vast een ouwe broek, wat heb je gedaan, ben je nou helemaal gek geworden? Nou, ze brieste en schreeuwde alsof ze naakt over straat moest.’

     

    “Wat een raar verhaal,’ zei ik,’ maar heeft u het wel uit kunnen leggen?’  “Nee mijnheer, ik begreep er niks van, hoe kan ik nou weten dat het mode is om een nieuwe broek te kopen met gaten erin . Dan heb je een gaatje in je hoofd volgens mij.’ 

    ‘ Zou kunnen,’ zeg ik, ‘maar mode is altijd wel wat gek toch?’

    ‘Ja, ik moet instappen,’ zegt ze, ‘en die sokken die u aanheeft mijnheer, dat bruin dat past echt niet bij uw blauwe broek, zal u daar effe naar kijken? Dag mijnheer’. 

    De deuren sluiten en ik zie haar een verhaal afsteken tegen een boomlange conducteur. Het gaat over zijn broek. Ze wijst erop. De pantalon is te kort, hij heeft hoogwater. 

     

    Een meisje van een jaar of zestien komt aanrennen en beukt op de deurknoppen. Helaas, ze komt de trein niet meer in. Ik zie  dat ze gaten en scheuren in haar broek heeft. Ik herken het verschijnsel nu pas, dat wil zeggen dat ik of geen gevoel voor mode heb of dat ook ik  85 jaar ben en naar een dance-event moet gaan. 

     

    Let’s dance, put on your red shoes and dance  ..            

     

     

               

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 139 keer bekeken

  • Lang zal hij leven

    28 oktober 2016

    In de trein heerst meestal een ernstige stemming alsof je naar een uitvaart gaat. Dat komt omdat de mensen met het openbaar vervoer naar hun werk gaan wat kennelijk een diepe, onpeilbare droefheid en ongelukkigheid bij ze oproept, zodat ik me afvraag wie er nog gelukkig is met zijn arbeid.

    Een enkele keer breekt een ramp onderweg het ijs tussen de reizigers. Ik heb vijf jaar geleden veel feestvreugde beleefd in een rijtuig dat niet mocht vertrekken omdat er honderdzesentachtig centimeter sneeuw op de rails lag. Dat gaf dolle pret, het was zo overvol dat we bij onbekenden op schoot moesten zitten en de laatste keer dat dat gebeurde was bij de juf op de kleuterschool.  

     Maar meestal kijken we elkaar beschaamd aan en turen treurig in onze telefoon op zoek naar berichten die ons op kunnen monteren. 

    Deze ochtend zit ik in de trein te treinzwijgen als een mevrouw van middelbare leeftijd op krukken binnenkomt. Zij, hun oma, heeft twee kleinkinderen bij haar, een jongetje en een meisje. Het jongetje heeft een hoed op met de tekst: Hoera 7 jaar!  Hij heeft donkere krullen en gitzwarte ogen die niet lachen. Hij gaat niet zitten, maar begint alle treinreizigers een handje te geven. Ik feliciteer hem, verheugd dat de grijze rit wordt opgevrolijkt en vraag hem hoe hij heet. ‘Ik heet Guliano,’ zegt hij als een volwassene met een vrome ernst. ‘Zullen we voor je zingen?’ vraagt mijn vrouw voorzichtig. Het jongetje knikt, maar lachen doet hij nog steeds niet. De treinreizigers om ons heen beginnen te zingen. ‘Lang zal hij leven, lang zal Guliano leven in de gloria..’  Guliano trekt zich terug in zijn kleurboek. 

    Wij zijn in een goede stemming door het zingen en spreken met de andere reizigers zoals we alleen  bij een zojuist omschreven crisis met elkaar zouden spreken. Zoals toen die keer toen het zo stormde, weet je nog, alle draadjes boven de trein werden weggeblazen en daar stonden we dan. ‘En geef ons dagelijks onze stoom, in plaats van stroom,’ grapte een reiziger. Ik weet het nog heel precies.  Het was een ramp, maar wat hebben we gelachen. 

    De trein stopt. Oma begint een liedje over een blauwe kat te zingen. De deur zwaait open en een Duitse vrouw rommelt binnen zoals reizigers vaak binnenfrutselen. Haar in de war, een tas teveel, een telefoon die niet in de linker - maar in de rechterjaszak zit en het ritueel van het opbergen van de OV- kaart. Zo’n ding is uitgevonden om kwijt te raken. Guliano legt zijn potlood neer en loopt op de vrouw af. Hij steekt zijn hand uit en zegt niets. De vrouw begrijpt het niet, wat staat er op de hoed? Voor ze het kan begrijpen omhelst het jongetje de vrouw. ’Gott, wie süss,’ snikt ze. ‘Er hat Geburtstag,’ zeg ik haar. En weer wordt er voor hem gezongen. Ook in het Duits.  Guliano gaat weer onverstoorbaar zitten en  oma zingt uit volle borst verder over de blauwe kat.  Dan brengt de trein ons op het eindstation van onze olijke trip. Maar vlak voor we uitstappen zegt oma nog even tussen neus en lippen door dat het jongetje autistisch is, alsof ze zich wil verontschuldigen en het gedrag toch afkeurenswaardig vond, maar dat was  het in mijn ogen  niet. Ik begrijp niet waarom een grootmoeder een etiket op haar kleinkind wil plakken en waarom wij, in opperste stemming gebracht, moeten weten dat dit bijzondere joch een zekere mentale beperking heeft. De jongen is een leuke jongen, op zijn manier.  Hij weet mensen bij elkaar te brengen, zonder al te veel woorden. Zou hij over de wereld reizen dan zou hij misschien in staat zijn oorlogen te beëindigen en de eindeloze verdeeldheid op deze planeet te stoppen. En daarna zouden alle somberende volwassenen fluitend, lachend en zingend naar hun werk gaan. Met de trein. Zal ik nog een keer voor je zingen Guliano? Lang zal je leven, kereltje! 

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 153 keer bekeken

  • Terschelling

    21 oktober 2016

    Dit verhaal is een oud volks verhaal dat ik zelf heb ingevuld met mijn eigen fantasie en daarom sterk kan afwijken van de manier waarop het op het eiland wordt verteld. En de foto hierbij, daarop ben ik die kleine man, met mijn Terschellinger opa Cornelis Cupido (1916-1972), genomen in IJmuiden, 1967.

    Kleine Sip Cupido hield de viool onder zijn arm. Hij was bang dat het instrument kapot zou vriezen in de ijzige kou. Het was een verschrikkelijk koude nacht, met een snijdende noordoostenwind. Voor hem lag het bevroren meer van de Doodemanskisten op West. De gemakkelijkste weg naar huis was recht over het ijs van dat meertje. Zijn vriend Grote Sjoerd liep voorop. De maan scheen volop in de donkere nacht en toverde licht op het blauwzwarte oppervlak. Dat hielp hen de weg te vinden over het verlaten eiland. Het water bevroor in hun baarden en maakte daaraan lange, zilveren staven en onder hun schoenen kraakten sneeuw en ijs, maar verder was het stil als op een poolvlakte. Kleine Sip had de verdiende centen in de zak van zijn jas gestopt. Vijf gulden maar liefst, een geweldige oogst voor het zingen en spelen van liedjes. Maar hij was het waard, hij was de muzikant van Terschelling. Geen bruiloft of jubileum op Sip was erbij met zijn viool. Dan moest zijn broer, Lange Sip, alleen voor hun vijf schapen zorgen. Vijf schapen hadden ze nog maar sinds de andere vijf ziek werden en stierven. Hij was blij dat hij zo’n muzikaal talent had gekregen van de Lieve Heer. Hij had zichzelf het spelen geleerd tijdens de lange winteravonden. Op zeker moment waren de optredens gekomen. Altijd ging zijn vriend Grote Sjoerd mee, want Sjoerd ging na de liedjes met de pet en dat deed hij heel goed. Sjoerd was charmant, hij had een vlotte babbel, veel vlotter dan Sip die alleen sprak via zijn instrument. Samen waren Kleine Sip en Grote Sjoerd een prachtig stel. Op deze bitterkoude decemberavond in het jaar 1825 hadden zij gespeeld op de trouwerij van Jan en Swaan. Alles leek goed te gaan, de pet werd goed gevuld, ze kregen een gratis slok en verlieten herberg het Zilte Schuim in een opperbest humeur. Maar nu hoorde Sjoerd een gesmoorde vloek. “Wat is er Sip?’ vroeg hij geschrokken,’ is je viool kapot?’ ‘Nee jong,’ zei Sip, ‘het is het geld.’ Sip hurkte op het ijs en nu zag Sjoerd het ook: een gulden was uit de broekzak gegleden, op het ijs gevallen en direct vastgevroren. Een kostbare gulden al gereserveerd om de dokter te laten kijken naar Sips hoestende zusje. Angst en paniek streden in hem, maar denken ging moeizaam, zo veel graden onder nul. ‘Wat moet ik nu?’ bibberde hij. ‘het ding zit vast en hier wachten kunnen we ook niet.’ ‘Ik weet wat,’ zei de nuchtere Sjoerd rustig, ‘we gaan hem losplassen.’ ‘Hè?’ Sip begreep het niet. ‘Ja, plassen, zeiken, plas is warm toch..’ ‘Nou hier,’sputterde Sip, ‘als ik hem nu uit de broek haal dan bevriest hij toch jong, hoe gaat die dan ooit weer ontdooien?’ ‘Ik hou hem vast,’ Sjoerd lachte breed met de drie tanden die hij nog had. ‘Dat kun je niet menen,’ beefde Sip. ‘Hoe wil je het anders?’ ‘Als de dominee dit ziet dan gaat hij naar ons hait en die gaat me slaan..’ ‘We doen het snel.’ En zo gebeurde het. Sip hurkte en plaste over de munt die wat losser kwam te zitten en door Sjoerd snel losgewrikt kon worden. Een mooi verhaal natuurlijk en de violist zou een verre voorvoorvoorvoorvader van me zijn. Ik weet het niet, het zou kunnen. Ik ben eens in het Behouden Huys geweest, dat is het museum over de geschiedenis van Terschelling en ik sprak daar met een medewerker die me kon bevestigen dat de viool en de violist inderdaad hebben bestaan en dat het museum in bezit is van het instrument van Cupido. Cupido, de god van de liefde, de god van het romantische snarenspel.

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 151 keer bekeken

  • Zoemende wachters

    8 oktober 2016

     

     

    ‘Au!’ riep mijn zus. ‘Rotbeest!’ Ze stampvoette van woede en pijn. ‘Hij heeft me gestoken, onder mijn broekspijp. Kijk dan, doe er iets aan!’ Ik voelde me schuldig. Ik had haar aangeboden haar fiets in mijn schuur te zetten, vanwege de bedenkelijke reputatie van mijn buurt. Een prachtwijk. Maar ik had gezien dat er twee wespen in en uitvlogen. Ik hoopte eerst dat ze vanzelf weg zouden gaan,  dat bleek een illusie. Integendeel: ze zagen mijn schuur als het land Kanaän, het beloofde land.  Terwijl mijn zus foeterde zag ik een cirkel agressieve wespen voor de schuurdeur hangen en vooraan hing de kleinste, David, met zijn angel naar mij, Goliath, gericht. Ik begreep dat ik iets moest doen. Nadat ik duizend  excuses aan mijn zus had aangeboden belde ik een bureau gespecialiseerd in dierterrorismebestrijding. De veiligheidsdienst zou een spion sturen. Een half uur later belde double o seven aan. Met een license to kill.   

    Hij was in zijn werkpak, een witte astronautenoutfit met helm, en had een Brabants accent en een olijk, rond gezicht. Hij was vrij klein van postuur en hij lachte zo vaak dat hij ruimschoots voldeed aan alle clichés over de gulhartelijke Brabo. Zijn beroep was minder feestelijk. Hij was moordenaar en slachtte op bestelling legers wespen, ratten, muizen, hoornaars, kakkerlakken en mollen. Met zijn uitrusting, een hoed, gaatjessluier, slachterijhandschoenen en meterslange spuit verdween het beeld van de gezellige zuiderling helemaal naar de achtergrond. Hij werd een dienaar van de hoge gifmis.

    ‘Deze zijn nog klein,’ hij wees naar het nest voor mijn fiets.  ‘Ik doe ook hoornaars, die worre zo groot man,’ hij toonde met duim en wijsvinger de lengte van een volwassen goudvis. Ik rilde. Maar hij lachte vanachter zijn wespenboerka. Hij werd gebeld. Even trok hij de rubberen handschoen uit. Zijn dochter, hoe lief. Daarna  sloop hij als een tijger naar de  wespenguerilla en mikte met zijn spuit  op het nest. Een wolk gas verraste de kudde ellendelingen. Een aantal bleef verbaasd hangen voor de ingang. ‘Ik schat, het zijn er zo’n 300,’ hij klonk opgewekt, ’maar die zijn nu wel dood hoor en u heb garantie hè, als er nog een paar leven dan kom ik nog ene keer..’  En terwijl ze één voor één naar beneden vielen, nog even spartelden en daarna naar het wespenvagevuur vlogen om daar schoongebrand te worden, werd het langzaam stil. Het nijdige gezoem hield op. Het mannetje trok zijn pak uit en ik dacht aan het natuurbeheer en al mijn mooie, verheven idealen. Deze insecten hadden namelijk ook de insecten kunnen opvreten die zich te goed deden aan mijn geliefde plantjes. Ik vermoordde, of liet, nog laffer, mijn eigen beschermengelen vermoordden. Dus ik voelde ook een lichte spijt. Waarom gingen die sukkels dan ook in mijn schuur seks hebben? Doe dat bij de buren. Maar de natuur luisterde niet naar mij. ‘Nou,’ begon het menneke,  ‘das voor elkaar zo, ik ga nu nog efkes wat rattenkooien zetten, ja, want die zijn slim hoor, en dan nog twee keer wespen en vanavond de bedwantsen en de kakkerlakken.’ De bedwantsen, dacht ik, daar heb ik over gelezen. Zitten zelfs in bedden van de duurste hotels. Wachten tot je gaat slapen en gaan dan aan je tenen knagen. ‘Dag,’ groette ik hem wazig terwijl hij met de spuit onder zijn arm verdween. En hij vertelde me dat hij ook nog een kroeg dreef in het land waar het leven goed was. Maar daar ging hij pas weer naar toe als hij de Amsterdammers had wijs gemaakt dat ze af waren van hun beestjes. Want die beestjes daar vergiftigde je er een paar van alsof je een druppel van een gloeiende plaat veegde. Ze waren nu eenmaal met heel veel en marcheerden snel  terug. Behalve wespen, die komen nooit terug op de plek waar je ze uitgerookt had.

    ‘Houdoe!’ zei het ventje en hij stapte in zijn bedrijfsautootje. ‘Je kan weer komen hoor!’ riep ik tegen mijn zus. Voorzichtig schuifelde ze buiten, angstig kijkend. Maar plotseling kreeg ze weer grote ogen. ‘Zie je nog een wesp?’ vroeg ik en ik dacht aan de garantieregeling. ‘Nee,’ zei ze onthutst, ‘mijn fiets, mijn fiets stond hier en nu niet meer!’

    Ik zag het nu ook. ‘Tja,’ zei ik geschrokken. ‘Dat krijg je als de wespen dood maakt,’ zei ik,’ dan komen de dieven ook weer’.

    ‘Gejat, gepikt,’ brieste ze, ‘verdomme, nee hè, mijn nieuwe fiets, ’  en ze stampvoette voor de tweede keer. Achter het gordijn bij de buurman zag ik een gezicht wegschieten. ‘Ik denk dat we een sluipwesp in de buurt hebben,’ zei ik zacht. Laten we eens aan die jongeman hiernaast vragen of hij zijn schuurtje open maakt.’  

    We belden aan en een jonge god, alleen in badjas gehuld, deed open. Op onze vragen knikte hij alleen. ‘Ik pak de sleutel even,’ mopperde hij en even later stapte hij op blote voeten naar zijn schuur. Hij opende hem en daar stond de fiets van mijn zus te glimmen. ‘O dat heeft Jeffrey gedaan,’ zuchtte hij, ‘die dacht natuurlijk dat hij van Kelsey was, m’n vriendin.’  Op de achtergrond zagen we een figuur, met de rug naar ons toe, bellen. Dat moest Jeffrey zijn. Mijn zus pakte de fiets en reed vloekend weg. En terwijl ik verder ging mijn gegranolde muur af te schuren, zoals de woningbouwinspecteur had geëist voor de verhuizing,   vroeg me af waar ik meer last van had: mensen of wespen. Toch hou ik van allebei, gek genoeg, hoe erg ze ook kunnen zijn.  

     

     

     

            

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 190 keer bekeken

  • Wat is erger?

    30 september 2016

    ‘Ik had al zo’n lange tijd last van mijn knie. Alle dokters ben ik er mee afgeweest. Man, man, wat had ik een pijn. Het begon allemaal tijdens een strandvakantie in Spanje. Ik stond stoer te springen in de branding om indruk te maken op een lekker chickje. Maar toen hoorde ik: ‘krak!’ en ik voelde iets in mijn linkerknie verschuiven. Ik kon niets meer, stond als een ooievaar in de zee, op één poot. Iedereen lachte om mij, ook dat chickje. Ik verrekte van de pijn. Vrienden brachten me naar de EHBO en daar was een dokter, nou zo noemde hij zich, maar ik denk dat hij zijn eerste jaar medicijnen nooit heeft afgerond. Hij verbond mijn knie zo strak, mijn poot werd helemaal blauw man. Dus ik weer terug naar die slager, met mijn vrienden. Hij klopte op mijn billen, zo een was het ook, en zei: ‘Well, just in time’.

    Jaren na dit gedoe bleef ik maar last houden. Pijn man, maar op de foto’s zagen de dokters niks, zeiden ze. Goed, een medisch wonder dus, in negatieve zin. Ik was er zo ziek van dat ik bijna elke avond naar de kroeg van tante Nel ging. Daar liet ik me dan helemaal vollopen. Zo jong, vol plannen, ik wilde militair worden, dat was mijn jeugddroom, en dan niks meer kunnen. Het maakte me somber. Nel zag het en ze zei: ‘Ik zal het Arie eens vragen, hij heeft mij ook geholpen met me rug.’ Ik keek haar glazig aan. Ze bedoelde toch niet die half demente, alcoholistische zwerver die ze zo liefdevol had binnengehaald?

    Op een herfstavond in de zomer hing ik weer in die kroeg. Stomdronken was ik. Ik had alles door elkaar gezopen: whisky, tequila, bier, wijn. Ik kon amper nog staan, de herberg leek zo groot als het universum en het draaide allemaal om mij. Het was helemaal vol met andere ongelukkigen om mij heen. Een hanekam naast mij ging op een stoel staan en riep zo hard dat de ruiten rinkelden: ‘Seeeekskkks!’ en daarna nam hij weer plaats. Zo’n avond was dat. Om het feest compleet te maken blubberde dikke Arie plots naast me. Ik herkende hem aan de geur van bedorven haring. Aan zijn rotsblokachtige hoofd met de dertien onderkinnen bungelde een meterslange baard met stukjes kaas erin. Hij legde zijn handen, zo groot als mijn schoenen, op tafel en brulde: ‘Ik hoor van Nel, ik ken jou help. Geef mij tien wieskie en ik ga jou help zoetwatersnotneus.’  Ik vroeg hem niets want dat kon ik niet meer. Hij gebaarde Nel. Zij bracht een glas, het was een bierpul vol wieskie. Ongelofelijk, een doorsnee mens zou je na het nuttigen kunnen opereren, hij zou niets merken. Hoe dan ook, hij leegde het glas in ene keer achterover en legde zijn arendsklauw op mijn zere knie. Hij kneep en hij kneep. Het bloed stolde in mijn lijf, zo’n verschrikkulukke pijn deed het. Nu zag ik in mijn tollende heelal ook nog onbekende planeten waarop het wemelde van het leven. Daarna werd mijn been hot, echt zo schroeiend heet dat ik mijn broek uit wilde trekken, maar dat kon ik niet. ‘Terug in de haven,’ zei hij plechtig, greep naar zijn borst en stortte van zijn stoel. Ik kon niks doen, ik was lam. Mensen raakten in paniek. Twee halfdronken oudere mannen doken boven op hem en begonnen met hun mond op zijn buik te reanimeren, want zij dachten dat reanimatie zo werkte. Toen ging mijn licht uit.

    De volgende morgen werd ik wakker met een bouwplaats vol spijkers in mijn hoofd. Ik huppelde naar buiten, braakte een keer of twee in de plantenbakken en toen hoorde ik Nel. Ze stond naast me.

    ‘Loop je weer lekker?’ vroeg ze. Ik zei: ‘Verrek, helemaal geen pijn meer, nou je het zegt.’ 

    ‘Mooi,’ zei ze, ‘ja, jammer van Arie, is dood gebleven gisteravond.’

    ‘Ach,’ zei ik,  ‘gecondoleerd.’ 

    ‘Hij was mijn vriend niet, maar hij heb me wel goed geholpen.’

    ‘Ja.’  Ik wist niet wat ik moest zeggen.

    ‘Hij had schatrijk kunnen worden met die gouden handjes van hem. Misschien ken jij dat nu ook wel dat magnettizeren.’  Ik keek naar mijn handen. Geen kans. Bleke spaghettisliertjes.

    ‘En ik krijg nu nog voor tien whisky van je, dat is honderd gulden. Stop je het vandaag nog effen in m’n bus?’

    Ze groette een zwangere, Marokkaanse vrouw. ‘Kom je bij me theedrinken schat? Slaat je man je nog steeds? Stuur hem naar mij, ik ram hem voor zijn kont, hoor!’  

    Ze ging verder met mij: ‘Nou eh, dat is toch niet veel voor een knie waar je verder op kan. Doeg!’  En ze was weg.

    Ik huppelde terug over straat als een eenzame astronaut op de maan. Heerlijk was het. Ik begon te rennen. Steeds harder. Raakte verslaafd aan die pijn zoals ik vroeger verslaafd was aan de pijn van de drank. Steeds harder ging ik lopen. Mijn route ging altijd langs die kroeg.  Ik begon wedstrijden te winnen. Het werd mijn doel in het leven. Bekers, prijzen, ik sleepte alles binnen. Mager als een graat werd ik en rende mezelf naar het Olympisch stadion in Berlijn waar ik heel in de verte het sluike haar en snor ontwaarde van de dictator. Hij sprak niet met mij, ik ben een zwarte man.  

    Kijk, daar ligt Arie. En daar ligt Nel. Bijna naast elkaar. Arm gestorven. Ik ga deze bloemetjes bij ze leggen, want de een heeft me van de pijn afgeholpen en de ander van mijn zuipen. Ik betaal ook voor het onderhoud en de steen en zo, want wat kan ik anders voor ze doen?

    Ik sta stil op het pad. Het is sinds die avond tachtig jaar geleden. Met mijn handen heb ik heel wat mensen beter gemaakt, heb ik nooit met iemand over gesproken. Kankers, ik heb ze verjaagd.

    Ik kijk om me heen over de stille begraafplaats. Het is donker aan het worden. Mist glibbert over de stenen. Er is niemand. Ik sta al een half uur hardop in mezelf te praten. Wat is erger, vriend Elckerlijk: een zere  knie of een gekneusde ziel?


                         

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 145 keer bekeken

  • Meer blogs >>